2019-12-01 waakzaam

Zondag 1 december 2019 – eerste Advent.
Deze tekst is ook beschikbaar als PDF.

LITURGIE B
KOMEN
Lied voor de dienst: Kaarsenlied oefenen (Mensen kijken in het donker)
Welkom
* Ontsteken van de eerste adventskaars
* Kaarsenlied: strofe 1 (Mensen kijken in het donker)
Moment van stilte
Bemoediging en groet
Psalm van de Zondag: Lied 25b: 1, 2 (Mijn ogen zijn gevestigd)
Gebed van inkeer
Leefregel
Lied 461: 1, 3 (Wij wachten op de koning)

WOORD
Gebed om licht van de Geest
Verhaal met de kinderen
Lied met de kinderen: ONC/Ichthusbundel 81: 1, 2, 3, 4 (Ik zal er zijn voor jou)
De kinderen gaan naar de nevenruimte nevenruimte – er is ook Tienerdienst
Bijbellezing: Jesaja 2: 1-5
Zingen: lied 122: 1, 2, 3 (Hoe sprong mijn hart hoog op in mij)
Bijbellezing: Matteüs 24: 32-44
Zingen: Lied 462: 1, 4, 5,6 (Zal er ooit een dag van vrede)
Preek (Tijdens de preek tweede lezing: Jesaja 2: 6-22)

Gemeente van de Heer,
zusters en broeders,

Adventsmens…

Hij of zij die zich toevertrouwt aan de Ene.
En de adventsmens kan zich niet anders indenken dan dat iedereen doet wat hij doet.
Daardoor wordt degene die weinig macht heeft opgetild.
Zo zal God
… rechtspreken tussen volken.
Dat betekent ook dat wie de macht heeft zal worden geoordeeld.
Daarom zingt de profeet dat de Ene
… over machtige naties een oordeel [zal] vellen.
De profeet staat naast de kleine mens.
En gelooft met kwetsbaar geloof.
Zo ook de adventsmens.

Die adventsmens kan niet anders bedenken dan dat zwaard tot ploegschaar wordt, speer tot snoeimes.
Dat we het toch nooit meer, nooit meer van zijn levensdagen nog zouden opzoeken?
Dat geweld en dat onrecht?
Machtsmisbruik en kwaad?
Als de adventsmens zo rondloopt, denkt, zingt, dan stijgt zij boven zichzelf uit.
En dan ziet zij in gedachte alle volken naar de berg van de Heer trekken.
Dan ziet zij dat alles wat glanst niet meer wapen is, maar werktuig om voedsel voort te brengen.

En zij juicht, zij zweeft, zij vliegt, de adventsmens…

BIJBELLEZING Jesaja 2: 6-22

De adventsmens…

Ze zingt, ja, maar ook met angst in het hart.
Ze is geen ster, geen held.
Maar bang.
Ook Jesaja was geen ster – hij deed zijn werk met de angst en beven.

De adventsmens – ten dode bedroefd kan ze worden.
Dat is de andere kant van leven met de God die opkomt voor de kleine mens.
Met deze God zie je zegen, maar ontdek je ook wat er grondig misgaat.
Er is zoveel macht en kracht en geweld.
Groot, groter, grootst trekt weg van dit visioen.

Soms heel subtiel, in argeloze ondoordachtheid.
Zodra we denken dat we het zelf wel kunnen, dat visioen bereiken.
Door bijvoorbeeld zo’n tekst op het gebouw van de VN te plakken.
Maar die tekst behoort toe aan de kleine vrouw of man.
Tussen hen staat Jesaja.

Nie wieder
Never again

We kennen ze, de grote, geweldige uitspraken.
Je kunt er eigenlijk geen ‘nee’ op zeggen.
Maar ze kunnen ons wel de verkeerde kant uit sturen.
Want de macht maakt er schone schijn van, verdient eraan.
Maar de prijs daarvoor wordt betaald door de kleine mensen.

Maar ondertussen gebeurt juist dáár dat adventsgeloof – bij kleine mensen.
Waar de adventsmens leeft in het hier-en-nu, met het visioen voor ogen.

Advent schuurt.
Je verwacht iets, terwijl er ogenschijnlijk geen reden is voor die verwachting.
Je leeft in hoop, terwijl de feiten het tegenspreken.

[…]
De adventsmens weet het van zichzelf:
We staren ons blind op degenen die grote macht verzamelen.
Die met een paar honderd nagenoeg alle kapitaal aansturen.
Die bezig zijn om alle mensen in een grote mal te stoppen.
Zodat de handel floreert, en er niets onverwachts meer gebeurt.
Zodat alle verwarden en vreemdelingen in een hokje worden gestopt, onschadelijk gemaakt.

En de adventsmens ziet het, en weent, vreest.
Want zij weet, dat juist waar de dingen niet normaal zijn, dat daar de adem van de Ene waait.

En zo klampt zij zich soms ook vast aan de gedachte dat de Ene woedend wordt hierover.
Dat de Ene zich zal verheffen boven de beleidsmakers, de generaals, de slimmeriken en de verborgen macht van onze tijd.
Dat de Ene zich zal verheffen boven die bespottelijke namaakgoden die we kennen.
Achterna-goden die nét doen of ze de Ene zijn.
Net-alsof-goden met hun pracht en praal, die we van de weeromstuit soms ook vereren…

We leven in het Westen met een heilig teveel om te verliezen.
Het trekt dagelijks aan ons, verleidt ons elk uur.
We leven met een heiligdom van bezit dat we steeds meer angstvallig, verkrampt vasthouden.
En daarom alles willen sturen in onze hoogmoed.

Maar hoeveel ruimte blijft er dan nog voor advent, voor komst?
Voor de ontregelende en verwarrende ontmoeting?
Voor de mogelijkheid dat we de Ene ontmoeten in een kleine mens?

De marge lijkt kleiner te worden – en de adventsmens ziet en ervaart dat.
En ja, de adventsmens verlangt dan soms dat de Ene zich verheft – en vreest dat tegelijk.
Vreest de verschrikking van de Ene.

Heen en weer geschud tussen hemelse verrukking en dodelijke angst zakt de adventsmens soms weg in diepe droefheid, ten dode toe.
Geen held, geen ster…

Tot ze zich tot de orde roept en begint met herlezen, weer lezen, opnieuw lezen…

HERHALEN Jesajs 2: 3 (Voice over)

De adventsmens…
Ja, die wéét van hoogten en diepten.
Die wéét van de eigen kracht en van het eigen tekort.
Van somberheid en dreigende verbittering.
Van hoogmoed die uit vroomheid kan voortkomen.

Hoogmoed waardoor je de ander niet meer ziet.
Waardoor je niet meer schouwt, je niet meer durft te laten verrassen door sporen van het visioen.

Daarom leest en herleest zij.

Keer op keer laat ze zich overvallen als woorden anders klinken dan voorheen.
En gaat dan, zachtjes, stralen.
Een stille ster, maar dan anders.
Ontvanger van sterrenstof – zo hoed ze zich voor het duister.
Houdt zich waakzaam.
Waakt.

HERHALEN Jesaja 2: 4 (Voice over)

En de adventsmens legt zijn handen open.
Zij leert dat ze niet zelf het visioen kan waarmaken.
En dat hij ook niet zelf de toorn gestalte mag geven.
Want in mensenhanden is eeuwige toorn spelen met vuur.
Zelfs het verlangen naar de eeuwige toorn kan vroomheid doen omslaan in cynisme.

Nee, de adventsmens leert.
Zij leert verwachten, altijd weer, de komst des Heren.
Ze leert waken.

Zij rekent niet naar duizend of tweeduizend jaar, de adventsmens.
Denkt niet: dat dachten ze toen, maar nu is dat achterhaald.

Zij verwacht altijd de komst des Heren, en beseft dat die onverwacht zal zijn.
Zich kan aandienen in een buurman of buurvrouw.
In een klein gebaar, een verstild elkaar aankijken.
Een mantel om een koude schouder, een hand die ontmoet, ogen die elkaar zien.
Een handelen dat vreemd, onverwacht is, maar dat van waakzaamheid uitgaat.

Waakzaam is ze – om de ander te leren beluisteren.
Waakzaam om de ander niet in een hokje te stoppen.

Daar worden zwaarden tot ploegscharen, speren tot snoeimessen.

Nog altijd is er dan geen roze wereld.
Ploegscharen scheuren de akker open, snoeimessen kappen de boom.
Maar het oogmerk is anders: bloei.

Zo leest en herleest de adventsmens.

HERHALEN Matteüs 24: 32 (Voice over)

Zij droomt van een wolk van veelkleurige mensen.
Een wolk van mensen met de droom van Gods hoop, voor ogen.

Waakt, dagelijks, door om te zien naar degene die niet meetelt, geen macht heeft, maar oog heeft voor andere dingen.
Levend vanuit de komst.
In het duister hopen op de morgen.
In de kleine dingen die op het oog zonder macht zijn.

Je weet maar niet.
Je weet maar niet – zou de ander de verwachte kunnen zijn?

HERHALEN Matteüs 24: 44 (voice over)

Een station in Nederland.
Winter, koud.
Een mens, met vuur in de ogen, begint zich langzaam uit te kleden.
Gehaaste reizigers kijken even opzij.
De meesten hollen voort.
Een ander staat even stil.
Sommigen maken een foto met hun mobiel.
Een enkeling zoekt het alarmnummer op.

Dan stapt een vrouw naar voren.
Zegt niets.
Kijkt, luistert met haar ogen, spreekt met haar hart.
De felle ogen van de ander vinden focus, vinden een zekere rust.
De vrouw grijpt in haar tas.
Heeft daar een mantel in zitten.
Laat hem zien, maakt een eerste, aftastende beweging.
De ander deinst niet terug.
Laat de mantel over de blote schouders glijden.
Voelt zich beter, zonder gedwongen te zijn om weer ‘normaal’ te doen.

(Naar Karlijn Roex, In verwarde staat)

De mensenzoon, herkenbaar in een mensendochter.
Omdat ze waakzaam is.

Het gebeurt op allerlei plaatsen.
Waar vrouwen opstaan tegen mensenhandel, scholen opzetten, de allerarmsten voeden en onderwijzen.
Waar mannen medische zorg verlenen in kampen, een thuis bieden aan daklozen, werkplaatsen opzetten.
Waar kleine mensen zachtjes beginnen te stralen, kleine sterren worden zoals Jesaja.

En zij allen vragen aan de machtigen, zowel die ten kwade als ten goede:

Weest ook gij bereid.
De mensenkinderen komen …
Op het uur waarop gij het niet verwacht…
Kinderen van de Ene…
Adventskinderen…

Muziek

ANTWOORD
Zingen: Lied 445: 1, 2, 3, 4 (De nacht is haast ten einde)
Voorbeden, Stil gebed, Onze Vader
(mededelingen en) Gaven; Tijdens de inzameling van de gaven luisteren we vast naar (de melodie van) het projectlied “Dag ster, kleine ster
ondertussen komen de kinderen terug.
Adventsproject: Sterrenslag
Projectlied: “Dag ster, kleine ster” : 1

GAAN
Slotlied Lied 444: 1, 2 (Nu daagt het in het oosten)
Zegen – met driemaal “amen” (lied 431c)
Zingen: Lied 444: 3, 4 (Zij die gebonden zaten)

(interim)predikant