2019-12-31 uithouden in liefde

Protestantse wijkgemeente Zoetermeer-Noord, Orde van dienst.
Datum: 31 december 2019 (Oudjaar) – ook beschikbaar als PDF.

KOMEN
Pianomuziek
Welkom
Lied 825: 1, 4 (De wereld is van Hem vervuld)
Moment van stilte
Bemoediging en groet
Lied 511: 1, 2, 3 (Door goede machten trouw en stil)
Gebed
Lied 511: 4, 5 (Maar wilt Gij ons nog eenmaal)

Gedicht Corrie Kopmels (bundel Bonhoeffer75) – met beeld Jeltje Hoogenkamp

Goede machten

Stom is de uitgestorven straat
en stil het licht van de lantaarn.
Geen merel die al is gaan zingen.
Ben jij het die daar naast me ademt?

Neem mij dan in je dromen mee op reis.
Open het venster op je vergezichten.
Over de daken valt een rode gloed.
Ik zie bekenden bij de halte staan.

Kort instrumentaal intermezzo, uitlopend op lied
Lied 511: 6, 7 (Valt om ons heen steeds meer…)

Bijbellezing: Matteüs 1: 20b-25 (vanaf “De engel zei: ‘Jozef…”)

Lied: Kyrie en Gloria (René van Loenen, bundel Bonhoeffer75), melodie Lied 101

Ontferm u over ons in kwade dagen
als wij de zware last zo wankel dragen,
gebrandmerkt en gekrenkt tot op het bot,
ontferm u God.

Ontferm u over ons in stille uren
als wij de schaduw van de dood verduren,
onwetend van het ons beschoren lot,
ontferm u God.

Gij die ons nooit ontbreekt, zolang wij leven
zolang zult gij ons met uw licht omgeven
en met uw liefde – wonderbare macht,
gij geeft ons kracht.

Wij mogen in de avond, in de morgen,
ons veilig bij u weten en geborgen
tot in het diepe zwijgen van de nacht,
o stille wacht.

Meditatie

Door goede machten trouw en stil omgeven…

Een tekst die ik nog maar sinds kort – en dan met aarzeling – durf te zingen.
Want ik weet niet hoe het is om in mijn leven te worden bedreigd.
Om in een land te wonen waar juist de duistere machten de mensen lijken te omgeven.

Bonhoeffer schreef dit lied toen hij in de gevangenis zat.
Waarschijnlijk zelfs pas toen hij in de beruchte keldergevangenis van de Gestapo verbleef.
Contact met de buitenwereld was alleen mogelijk door gesmokkelde brieven.

Het lied is een gebed, geen gesloten geloofsleer.
Het is een getuigenis van het toevertrouwen van Bonhoeffer.
Maar we kunnen er het laatste over God niet uit afleiden.

Gericht aan zijn moeder en zijn verloofde is zij voor de kerk een bijzondere nalatenschap.
Het lied zingt van verlangen om elkaar te ontmoeten.
Een lichte en geborgen ontmoeting.
Zoeken naar steun in een situatie die geen toekomstperspectief kent.
Een droevig lied – en tegelijk een lied dat moed geeft.

[…]
Wat mij raakt is dat Bonhoeffer zijn oog, zijn perspectief, nu juist niet laat bepalen door de kwade machten.
Nee, hij laat zijn oog, zijn voet, zijn hart richten door goede machten.
Die vindt hij in zijn geliefden – en ten slotte in God.

Door goede machten trouw en stil omgeven,
behoed, getroost, zo wonderlijk en klaar,
zo wil ik graag met u, mijn liefsten, leven,
en met u ingaan in het nieuwe jaar.

[…]

In goede machten liefderijk geborgen
verwachten wij getroost wat komen mag.
God is met ons des avonds en des morgens,
is zeker met ons elke nieuwe dag.

[…]
Wat mij raakt is dat het gaat over het volhouden van de lofzang.
En daarmee over het volhouden van het gebed.
En dat lijkt mij de handreiking aan ons voor de tijd die voor ons ligt.
Dat wij er zijn om de lofzang vol te houden.

Dat betekent ook bidden en wenen.
Want wie Gode lofzingt, kan niet anders dan wenen over deze wereld.
En kan niet anders dan roepen, bidden, voor wie niet meer bidt.

De bittere beker, waarover Bonhoeffer zingt, doet denken aan Gestémané.
De worsteling van de Zoon.
Kerst, stille week en Pasen hangen onlosmakelijk met elkaar samen.

Tegelijk zucht Bonhoeffer niet in wanhoop zijn lied uit.
Hij vertrouwt erop dat God om deze wereld bewogen is.
Zó bewogen dat God zelf lijdt onder het lijden.
En daarom met ons is, elke dag.

[…]
In de aanloop naar december kwam bij mij ongewild al een poos het lied van Jules de Corte op.
Ik zou wel eens willen weten…
Over waarom de bergen zo hoog zijn en de wolken zo snel.
Zijn speelse taal betrekt God in zijn lied.

Ik zou wel eens willen weten, waarom zijn de zeeën zo diep
Misschien tot geluk van de vissen
Die het water zo slecht kunnen missen
Of tot meerdere glorie van God die de wereld schiep
Daarom zijn de zeeën zo diep

In zijn laatste couplet vraagt De Corte zich af:

Ik zou wel eens willen weten,
waarom zijn de mensen zo moe.
Misschien door hun jachten en jagen
Of misschien door hun tienduizend vragen
En ze zijn al zo lang onderweg naar de vrede toe

Hij schreef en zong zijn lied een kleine 15 jaar na het indringende lied van Bonhoeffer.
In de schaduw van de oorlog.
Toen al sprak hij over jachten en jagen, over tienduizend vragen.

Wij staan op de grens van 2020.
We zuchten al 75 jaar niet meer onder een gewelddadig regime.

We menen vrij te leven.
Maar ons hart lijkt steeds onrustiger te worden.
We vinden, in ieder geval in ons land, steeds minder vaak rust in God.

We leven in een tijd waarin macht zich verhult.
Grove macht heeft in veel gevallen plaatsgemaakt door een nette macht.
Mooie taal, aantrekkelijke beloften vol welvaart en voorspoed.
En degenen die lijden onder die grote beloften zitten ver weg of worden verzwegen.
Maar ze lijden er niet minder om.
En hoewel we er steeds meer van weten voelen we ons vaak meer en meer machteloos.
Menigeen draagt dat niet, sluit zich op, vlucht – tot in de dood toe.

[…]
Morgen zal niet anders zijn dan vandaag.
Alleen ons gevoel zet ons stil, naast het vuurwerk.
De tijd gaat voort, het lijden gaat voort – en de vraag om het lied, het gebed, om de verstilling.

Ook morgen zullen we het hebben uit te houden in deze wereld.
Met haar meer verborgen vragen over recht en onrecht.
Maar niet minder actueel dan voor hen die de oorlog meemaakten, al dan niet ten koste van hun leven.
Want ook vandaag en morgen staan we voor de keuze hoe we opstaan uit machteloosheid en hoe we onrecht aanklagen.
Ook vandaag en morgen staan we voor de vraag waarop ons oog is gericht.

Laten we oog, hart en voed leiden door de kwade machten?
Of laten we ons richten door goede machten?

Houden we het uit in de nood – in liefde?
Waarbij we ons laten richten door de goede machten?

We staan tegenover duistere machten die soms veel lastiger zijn te herkennen.
Maar ook vandaag vraagt het om moed om te blijven lofzingen en bidden.
Om het daarin uit te houden, in liefde, met wie lijdt onder onrecht.

De kerk is geroepen het in liefde vol te houden en te staan naast de meest kleinen onder ons.
Omdat God ons in Christus daarin voorgaat.

En als dat wat van ons vraagt…
Als dat zou betekenen dat onze kerk daarvoor moet veranderen, minder vertrouwd dan we gewend zijn…

Ach, zij die ons voorgingen lieten er zoveel voor.
Hagar, Rachab, Mozes, Gideon, Ruth, Jesaja, Zacharias en Elisabeth, Maria en Jozef.
Degenen die de lofzang door de eeuwen heen volhielden.
In vrijheid of achter slot en grendel.

Misschien, misschien is het nog wel het meest onze herinneringen aan gevulde kerkzalen en machtige woorden die ons er van weerhouden om te doen waartoe wij zijn geroepen.
Als dat zo is – dan is vandaag, en niet pas morgen, het moment om dat van ons af te werpen.

Als we ons oog maar richten op de goede machten in Christus en onze dierbaren.

Opdat wij het uithouden met de kleinen.
Opdat wij de lofzang gaande houden.
Opdat wij blijven bidden.

En zo – met Jozef – de naam noemen die ons leven richt: Jezus – God redt.

Amen.

Lied 825: 8, 9 (God heeft zich zelf…)

Gebeden
Gaven
Lied 816: 1, 2 (Dat wij onszelf gewonnen geven)

Zegen met de tekst van liedboek 1317
Lied 816: 4 (Dat wat wij hebben ons niet gijzelt)

(interim)predikant