2020-02-16 Klein beginnen

Protestantse Wijkgemeente Zoetermeer-Noord
2020-02-16 – in deze vieren we de doop van één van de kinderen.

De teksten zijn ook beschikbaar als PDF.

Komen
Lied vóór de dienst lied 398 3x (Steek je hand uit)
Welkom
Lied: ONC/Ichthusbundel 159: 1, 2 (Wees welkom allemaal)
Groet/bemoediging
Gebed
Lied: ONC/Ichthusbundel 81: 1, 4 (Ik zal er zijn voor jou)
Verhaal: waar komt de rivier vandaan?
Lied 218: 1, 4 (Dank u voor deze nieuwe morgen)
Zegen met de kleinste kinderen
De allerkleinsten gaan naar de crèche of naar huis – bij het uitgaan zingen we:
Lied 218: 5 (Dank u voor alle mooie klanken)

Doop
Aansteken van de doopkaarsen van broers en zus, en samen water uitschenken in de doopvont
Inleiding op de doop
Binnendragen van de dopeling
Naamgeving, doopwens en doopintentie
Gebed
Doop en Doopbeloften
Zingen: Geroepen om te zingen 79: 1, 2 (Verbonden met vader en moeder)
Doopbeloften, ouders – kinderen – gemeente
UInschrijven in het doopregister
Aansteken van de doopkaars
Kinderen gaan naar de nevenruimten – ondertussen zingen we
Lied 309 (Zing nu verheugd een vrolijk lied)

Woord
Wij lezen deze weken het boek Exodus.
Hoofdstuk 1 begint met de stammen van Israël die in Egypte wonen.
Alle stamvaders worden genoemd, allen zijn ze gestorven.
Ook Levi.
Ook Jozef, die zoveel goeds had gedaan voor Egypte.
De nieuwe koning, de farao, weet niets over Jozef.
Die ziet alleen maar vreemdelingen, is daar vreselijk bang voor, en roept: zet ze aan de dwangarbeid, en beperk hun groei – doodt alle jongetjes.
Ruimte voor verzet lijkt er niet – maar vrouwen vinden toch mogelijkheden.
Zo zijn er twee vroedvrouwen, Pua en Sifra, die het bevel van farao om pasgeboren jongetjes te doden negeren.
Dan beveelt farao aan al zijn onderdanen om deze moord mogelijk te maken.
Elke zoon die wordt geboren, gooi hem in de rivier.
Daar begint het volgende verhaal, over een man en een vrouw – en opnieuw zijn het de vrouwen die in verzet komen tegen het bevel van de dwaze koning.
Het boeiende taalspel dat in het oorsrponkelijke verhaal ligt opgesloten verdwijnt grotendeels in de Nieuwe Bijbelvertaling – daarom lezen we Exodus in de Naardense Vertaling.

Lezen: Exodus 2: 1-10
Lied 359: 1 (Leven is gegeven)
Lezen: Matteüs 5: 17-26
Lied 359: 2
Preek

Lieve Godszoekers,

Goede keuzes maken.
Voor de ander en voor jezelf.
Dat begint in het klein.

Een eerste zoen.
Een eerste traan.
Een eerste gebalde vuist.

Neem nu die man en die vrouw uit de stam Levi.
Slaven waren ze.
Ze hadden bijna geen keuzevrijheid.
Maar ze vonden een kleine opening.

Ze hadden net gehoord dat de doodsbange farao had uitgeroepen:

elke zoon die wordt geboren, gooi hem in de rivier,
elke dochter laat maar leven.

En dan lezen we:

Ging een man uit het huis van Levi
nam een dochter van Levi
de vrouw werd zwanger, baarde een zoon
zij zag hem, dat hij goed was
zij hield hem drie maanden verborgen.

Onvrij, slaaf gemaakt, vinden zij een moment van keuzevrijheid.

Eeuwen later schrijft iemand in één van de brieven aan een christelijke gemeente: dat was een daad van geloof.
In een uitzichtloze situatie maakten zij een goede keuze.
Een goede keuze waarin ze op God vertrouwden.
Ook al was God niet zichtbaar.

[…]
God komt in de tekst van dit verhaal niet voor.
Toch voel je aan dat die twee mensen een geloofsweg vonden.
Dat voel aan als je leest dat zij naar hun zoon kijken en zeggen:
Ja, goed is hij!
Want dat hebben we eerder gehoord in de bijbel.
Als God duister en licht scheidt, water en droog land.
Dan klinkt het steeds: ja, goed is het!
Een uitroep vol vertrouwen.

Maar het staat wel op spanning.
Want waar is die God in dít verhaal?
Deze mensen zoeken sámen een geloofsweg.
En hun dochter doet er aan mee – en misschien ook wel de dochter van de farao.

Exodus: een geloofsverhaal tussen de waanzin van piramides, gebouwd over lijken.
Door het boek Exodus te noemen, uittocht, lezen we vol hoop.

Maar in de oude overlevering heette het niet ‘uittocht’, maar ‘namen’.
Dit zijn de namen van de zonen van Israël.
Alle voorvaderen klinken – en die zijn inmiddels gestorven.

Tussen de mega-bouwwerken begint het boek met gestorven voorvaderen.
Maar de naam van de Ene, de Heer, – die ontbreekt vooralsnog, die moet nog bekend worden.
De koning van Egypte, farao, blijft ook zonder eigen naam.
Wel kennen we de namen van twee vrouwen.
Het zijn de vroedvrouwen die weigerden om de zonen te doden.
Sifra en Pua.

Maar waar is de Ene?
Wie zal dít volk verder helpen?
Zo lezen we het nog eens:

Ging een man uit het huis van Levi
nam een dochter van Levi
de vrouw werd zwanger, baarde een zoon
zij zag hem, dat hij goed was
zij hield hem drie maanden verborgen.

Nog geen naam.
Ook niet als hij tussen het riet ligt of wordt gered door de dochter van farao.
Pas jaren later klinkt zijn naam.
Dan is hij gespeend en geadopteerd als Egyptische prins.
Opgetild, Mozes.

Je houdt de adem in: hoe gaat het verder?
Je moet jaren wachten.

Zo zal het ook met de kleine Fleur gaan.
Haar naam is wel al gekend én geliefd.
Maar hoe het verder gaat?
We zullen moeten wachten, geduld moeten houden.
In vertrouwen op weg gaan.
Met haar, en met Matthijs, Thomas en Lotte.

Maar nee: wachten is geen afwachten.
Er gebeurt meer.
In het verhaal is dat ook zo.
De kleine Mozes krijgt wel de liefde mee, en de basisverhalen over God.
En de kleine Fleur krijgt ook die basis mee in jullie gezin.
Ja, je moet wachten hoe het later verder gaat, en of zij God zal kennen.
Maar nee, het is geen afwachten.
We geven een basis mee, het verhaal van God – zodat zij deze zal kunnen herkennen als ze elkaar ooit ontmoeten.

Zo gaan mensen hun weg, toen en nu.
En waar is God in mensenverhalen?

Er zijn Joodse uitleggers die zeggen: God zit verweven in het verhaal.
Tussen het riet, als de dochter van farao het kistje opent.
Daar staat:
ze deed het open en zag hem – het kind.
Ademloos schrijven sommige commentaren:
ze zag Hem – de Ene – bij het kind

Als dat zo is dan weten we het weer: Zoek God niet in het grote.
God begint piepklein.
Ook al wekken de verhalen de indruk dat het vooral om zijn almacht gaat – het gaat om zijn klein begin.
Net zo piepklein begint geloof.

Misschien wel als een wanhoopsdaad.
Of als iets waar je niet zo goed over na hebt gedacht, maar je doet het…

Zo klein begint de naam van de Ene.
Tussen de regels door.
Met een kus, een druppel water op het voorhoofd van Fleur – en daarmee een kus op ons aller voorhoofd.
De naam van de Ene begint in de liefde die jullie elkaar schenken.

Geloven is daarop willen vertrouwen.
Dat God zo klein begint.
Ook al twijfel je, en zegt het geloof je niet zoveel.
Laat het dan het samenzijn en het samendoen er maar zijn.
Het samen oefenen van de geloofstaal, het doorgeven van een verhaal.

Als we maar blijven zeggen: dat de Ene tussen de regels door erbij is, ons zoekt, ons nabijkomt.
Ook tussen het kwaad, dat zo groot kan worden.

Dan krijgen de woorden van Jezus, eeuwen later, hun eigen waarde.
Hij zegt: laat het niet groter worden, het kwaad, voor zover het van jou afhangt.
En dan gaat het hem niet zozeer om het kwaad, maar om het blijven zien van dat kleine van God tussen alle kwaad.
Je hoeft het kwaad niet te negeren – dat zou dwaas zijn.
Maar je kunt wel kiezen om te zoeken naar het andere van God tussen het kwaad.

Zoek dat kleine van God al in het begin van een ruzie – en leg het daarom zo snel mogelijk bij.
God zit in het kleine – zoek hem in het kleine: dat helpt ons om niet te verdrinken in de rivier van het kwaad.

In de naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest.

Amen.

Antwoord
Lied 321: 1, 2, 3, 7 (Niet als een storm, als een vloed) → ondertussen komen de kinderen terug
Gebeden
Gaven

Gaan
Lied 981: 1, 2 (Zolang er mensen zijn op aarde)
Zegen
Lied 981: 5 (Daarom moet alles u aanbidden)

(interim)predikant