2020-03-08 vreemd

Zondag 8 maart 2020 – Hoeksteengemeente te Benthuizen.
We lezen mee met het rooster in een Exodus-verhaal dat vervreemdend werkt. En misschien is dat er ook wel de bedoeling van… Ik had onderstaande teksten voor mij liggen, ook beschikbaar als PDF.

Orgelspel
Welkom en mededelingen

VOORBEREIDING
Moment van inkeer
Aanvangslied Lied 25: 1, 2 (Heer ik hef mijn hart en handen)
Bemoediging en groet
Lied 195 (Klein Gloria)
Gebed van inkeer
Leefregel: Mt. 6: 19-27
Lied 25b – gezongen refrein en gesproken (Houd mij in leven, wees Gij mijn redding)

DIENST VAN HET WOORD
Gebed bij de opening van de Schriften
Schriftlezing Exodus 4: 18-31
Lied Lied 831: 1, 5, 6 (Gestuurd op wegen ongedacht)
Schriftlezing Matteüs 17: 1-9
Lied Lied 540: 1, 3, 4, 6, 7 (Het waren tien geboden)
Preek

Israël zucht onder de slavernij in Egypte.
Het leven is er niet veilig.
Onrecht overwint daar…
Dan wordt Mozes geroepen om zijn volk te bevrijden.
Zijn opdracht klinkt hem in de oren:

… dan moet jij tegen de farao zeggen:
“Dit zegt de Heer: Israël is mijn zoon,
mijn eerstgeboren zoon…”

Door die woorden zo op te schrijven vertellen de Bijbelschrijvers iets bijzonders.
Zij zeggen daarmee: luister, er is een band tussen God en zijn mensen die onverbrekelijk is.
En dat heeft consequenties…

God weet zich geroepen door zijn kind
En neemt zijn verantwoordelijkheid.

[…]
Het verhaal staat in Exodus.
En in dat boek kan het nogal gewelddadig aan toegaan.
We weten het wel: over Egypte dat plaag op plaag krijgt te verwerken.
Over farao die niets anders lijkt te kunnen dan tegenspartelen.

Als kind vonden we het misschien machtig mooi.
Konden we een soort griezelen bij water dat bloed wordt, stof tot muggen wordt en kikkers die in het bed van de koningin springen.
Best wel spannend ook.
Maar nu we groot zijn hebben we er moeite mee als geweld en God samengaan – uitlopend op de dood van het vee, onschuldige kinderen en uiteindelijk van de Egyptische soldaten met hun koning.
Veel mensen hoor ik uitspreken dat ze moeite hebben met de gewelddadige kant van de Bijbel, en daarom er maar weinig in lezen.

Ik herken er best veel van.
Er zijn gruwelijke verhalen – ook verhalen waarover ik het niet in mijn hoofd haal om erover te preken.

Tegelijk zou ik niet zonder die ruwe en pijnlijke kanten in de bijbel kunnen.
Het pastoraat kan niet zonder die scherpe en woedende kant.
Als we alle geweld uit de bijbel wegschrijven – hoe kan ik dan die man of vrouw nabij zijn die raast over het onrecht dat haar of hem is aangedaan door andere mensen?

Een bijbel zonder geweld zou een wereldvreemd boek zijn.
En dan zou onze God een wereldvreemde God zijn.
In zijn woede komt God dichter bij.
En ook Jezus raast en tiert er soms op los.

Bij menige passage over geweld kom ik daarom verder door te vragen:
wat doe je als de ander schreeuwt uit de diepste nood?
Wie staat er op het spel?

Die ‘wie-vraag’ is belangrijker dan de vraag wát er op het spel staat.
Want meestal wint dan aanzien en macht, en verliezen mensen hun recht op leven.

[…]
Wie staat er op het spel?

Als je zo Exodus tussen de regels door leest hoor je iets anders.
Het geweld is er – maar er zit ook een rode draad doorheen die anders is.
God is als een ouder – die zijn kind hoort schreeuwen.
En de meeste ouders zullen als een tijger vechten voor hun kind.

Wie staat er op het spel?

…mijn zoon, mijn eerstgeboren zoon…

In het geweld in Exodus is het de Ene die als een ouder opkomt voor zijn kind.

In oud-oosterse verhoudingen zit daar nog een andere gedachte achter.
De eerstgeboren zoon is de stamhouder, de toekomst van de familie.
En die eerstgeborene komen we op die manier nog een paar keer tegen in Exodus.
Te beginnen bij de eerstgeborene van Mozes.

Wat hier voorop staat in deze woorden, weet ik niet.
Ik houd het ervoor dat het allereerst die ouder-kind-band is, onverbrekelijk en onveranderlijk.
Wat doe je als ouder wanneer je kind roept om hulp?

Zo ontmoeten we in Exodus een God die in actie komt – omdat zijn volk, zijn eerstgeboren zoon, roept.
God laat zich ook bepalen door anderen.
Grijpt in als het leven onleefbaar is geworden.

Hiermee wordt de gewelddadigheid niet ineens goed of zo.
En er blijven nog vele vragen over, vooral over de vraag waarom God dan op andere plaatsen níet heeft ingegrepen zoals in dit Exodusverhaal.

Maar door te kijken naar die onverwoestbare loyaliteit, die relatie die er tussen ouders en kinderen kan zijn, wordt Exodus meer dan geschiedenis.
Daardoor wordt het een boek waaraan we hoop kunnen ontlenen.

Roepen, schreeuwen, het brengt iets op gang.
Want God wil een ik-ben-er zijn.
God blijft niet op grote hoogte, van een afstand, toekijken hoe het beneden allemaal mis gaat.

Nee, hij daalt af, gaat mee, lijdt mee, schiet uit zijn slof, wordt kwaad, en schrikt daar soms ook weer van terug.
Dat is iets weerbarstigs aan God.

Niet voor niets openbaart de Ene zich in een doornenstruik.
En dan niet met doornen waar wij in Nederland al last van denken te hebben.
Nee dan praat je over doornen je huid aan stukken kunnen trekken.

Tussen zulke doornen toont zich de Ene, zegt het verhaal.
En daarmee lijken de schrijvers te zeggen:
de Ene, onze God, wéét van lijden, pijn en verschrikking.
En kent dan ook de schrik en de woede…

En als je kind dat lijden en dat onrecht treft, dan…
Dan ga je op zoek naar iemand die er helemaal voor jouw kind moet zijn.
Die je op weg stuurt, wegen ongedacht.
Iemand die er helemaal voor jou volk moet zijn – ook al raakt die ander van zichzelf vervreemd.

Want dat is profeet zijn: meegenomen in een roeping die je van jezelf vervreemdt.
Dat is ook iets dat in ons geloofsleven kan gebeuren.
Dat je ergens toe wordt geroepen dat jou vreemd is.
Maar je moet, de ander bepaalt jouw weg.

God laat zich veranderen door de schreeuw.
En jij, u, ik?
Als je erop reageert, dan vervreemdt je voor een deel van jezelf.

Het zit in subtiele zinnen in het verhaal.
Zoals in vers 20, waar staat dat Mozes de staf van God in zijn hand heeft.
Pardon: het was toch zijn staf?
Hij liep er al 40 jaar mee in zijn handen, achter de schapen aan.
De staf van een herder is wat hem bijna het meest eigen is.
Die staf dus.
Die is toch van Mozes?

Ja, aan het begin van het verhaal nog wel.
Tot hij hem op de grond moet gooien en voor zijn ogen in een slang verandert.
Tot hij de slang bij zijn staart moet pakken, en de slang verstokt tot een staf.

En zo is het niet langer Mozes’ staf meer.
Nee, God neemt de staf van Mozes onder zijn hoede.
De staf van Mozes, de herder, zijn meest eigen stuk gereedschap, wordt van zijn God.
Daarom heet het dat Mozes de staf van God ter hand moet nemen.
De staf is daarmee niet langer voor de kudde, maar voor het volk dat roept.

En zo moet ook Mozes niet meer denken dat hij nu nog van zichzelf is.
Nee, hij is van God geworden.
Vervreemd van zichzelf.

Alleen zo kan ik iets zinnigs zien in die vreemde, vervreemdende geschiedenis in de nacht.
Als God hem te na komt.
Zippora, dochter van een priester, begreep dat hier iets anders nodig was.
Iets vreemds.
Zij grijpt – als enige vrouw in het Oude Testament – een mes en besnijdt haar eerstgeboren zoon, en raakt de voeten van Mozes ermee aan.
Zij redt zijn leven.

Opnieuw redt een vrouw het leven van Mozes.
Na zijn moeder, zijn zus en de dochter van Farao.
Vier vrouwen die alle vier in verzet komen tegen het lot dat het leven bedreigt.
En als het nodig is komen ze in verzet tegen God.

Zippora redt Mozes – en noemt hem bloedbruidegom.
Een wonderlijk verhaal dat ik lang niet helemaal begrijp.
Maar waarin ik ongeveer dit beluister:
Mozes’s staf is al niet meer van hem.
Zijn leven is al niet meer van hem.
En nu is zelfs zijn eerstgeboren zoon niet meer van hem.
Zij zijn allemaal des HEREN.
Hij en zijn hele gezin.

En Zippora beweegt daarin mee.
Deze dochter van een priester die als geen ander kon weten van een wonderlijk geheim tussen God en zijn mensen.
En hoe je door roeping op vreemde wegen kunt worden gebracht.
Omdat de ander schreeuwt om hulp.
Omdat de ander bepaalt waartoe je bent geroepen.
En zij greep in.

De vraag waarom God op allerlei plaatsen niet ingrijpt zoals in Egypte is de vraag aan onszelf stellen.
Is kijken in de spiegel die Mozes’ moeder, zijn zuster, de dochter van Farao én zijn vrouw Zippora ons voorhouden.
Uiteindelijk ging zelfs Mozes al sputterend, stotterend in tegen het lot.

God wil ingrijpen door mensen.
Daarmee wordt de vraag aan God over zijn ingrijpen een vraag aan onszelf.
Ook al is dat geen bemoedigende of geruststellende vraag.

[…]
Er wordt tegenwoordig wel eens gezegd dat de kerkdiensten bemoedigend moeten zijn.
Troostend en eenvoudig.
Vol van actualiteit.
Toegankelijk, zeggen we dan.

En ik begrijp dat verlangen ook.

In dat licht had ik mijn preek nu moeten proberen te houden over het coronavirus.
Of over de belastingdienst, de problemen bij het RDW, of de economische onzekerheid die voor vele gepensioneerden spelen.
Of ik dat had kunnen verbinden aan dit Exodusverhaal is maar de vraag.

Maar er gaat iets anders achter schuil dat ik het niet over deze onderwerpen heb.
Ik vraag mij vaak in alle gemoede af of geruststellend en actueel preken nu ook woordverkondiging is.
Want onze God is en blijft een vreemde God.
Dominee Buskes zei ooit:
Er bestaat geen onze lieve Heer.

Geloven is een onrustig leven.
De ander bepaalt je weg.
De ander met een kleine én met een grote letter.
Wij hebben een vreemde God.

Als God een vreemde God is dan is zijn profeet ook vreemd.
En als je er goed over nadenkt is Jezus ook een vreemde.
Die man uit Nazareth hoort bij zijn doop uit de hemel:
Deze is mijn geliefde Zoon
Hij is niet van zichzelf, maar van die vreemde God.
En op de berg, opnieuw, die stem, en dat tedere woord:
… mijn geliefde Zoon…
Het betekent iets dat Mozes en Elia herkennen:
Hij is niet van zichzelf, deze Jezus.

Het is niet zozeer dat hij ‘de zoon van’ is.
Nee, hij is de zóón van deze vreemde God.
Hij aardt naar deze vreemde, weerbarstige en soms onberekenbare God – die zegt:
mijn zoon, mijn eerstgeboren zoon…

Deze God past niet in onze actualiteit.
Dan ook zijn zóón niet.
Vreemd, vervreemd is deze Jezus.
Niet voor niets is er het verhaal dat zijn familie hem komt ophalen, omdat hij zo vreemd doet, en dacht dat hij gek was geworden.

Jezus wordt niet bepaald door familie of zichzelf, of actualiteiten of bemoedigende spreken.

Nee, hij wordt bepaald door de ander, die een beroep op hem doet.
Hij wordt uiteindelijk bepaald door de Ander met een hoofdletter.

[…]
Tegelijk is deze Jezus – gelukkig – mens, sterfelijk en kwetsbaar.
Zijn voetsporen drukken wij.
In hem volgen we zijn volk in de 40dagentijd – door de woestijn.
In hem horen wij de roep uit de depte – en dat brengt ons op vreemde wegen.

Moeten preken actueel en bemoedigend zijn?
Ik vraag het mij soms af.
Geloven vervréémdt ons ook van onszelf.
Én het bevrijdt ons van onszelf.

Het moet – het kan kennelijk niet anders – het moet jaar in jaar uit door de woestijn, achter deze vreemde Jezus aan.
Het moet – door de honger en de dorst.
Het moet – door het recht van de ander, die op ons toekomt met de vraag: behoudt mij in het leven!
Want Jezus gaat ons voor…

En wie ‘ja’ zegt tegen deze Jezus wordt dóchter, wordt zóón van een vreemde God – die je op vreemde wegen stuurt.

Daar helpt geen troostrijk of bemoedigend preken bij.
Daar helpen geen actualiteiten bij.
Vreemdeling wordt je, in je eigen leven.

Daar helpt alleen bidden bij.
Bidden en geloven horen bij elkaar én vervreemden ons van onszelf.

Bidden is net zo vreemd – maar levensbelangrijk voor ons geloof en voor de ander.
De ander die roept – en wij antwoorden in gebed en gerechtigheid.

Daarom hoort biddag erbij.
Om ons eraan te herinneren dat we niet meer van onszelf zijn als wij in geloof de voetsporen van Jezus drukken,

Tegelijk is die vervreemding een teken van hoop – want als we vervreemd zijn van onszelf kunnen we er eens te meer zijn voor onze naaste.
Die naaste aan wie we antwoorden – en in wie ons gebed concreet wordt.

Amen.

Lied 538: 1, 2, 3, 4 (Een mens te zijn op aarde – Barnard)
Bij schikking en biddag
Lezen: Naar Psalm 67 (Lloyd Haft)
Zingen: lied 807: 1, 2, 3 (Een mens te zijn op aarde – Oosterhuis)

DIENST VAN GEBEDEN EN GAVEN
Gebeden,Stil gebed, Onze Vader (gezamenlijk uitgesproken)
Inzameling van de gaven
Slotlied Lied 424: 4, 5, 6 (Bij name geroepen) 1x gezongen refrein, dan de gesproken strofen met gezongen refrein er achteraan
Heenzending en zegen met gezongen Amen (Lied 431c)
Orgelspel

(interim)predikant