2020-04-19 galilea

Zondag 19 april 2020 – 1e van de paasperiode
We vieren in kleine samenstelling. Onderstaande teksten had ik voor mij liggen – die zijn ook beschikbaar als PDF.

Welkom door ouderling
Komen
Lied 81: 1, 2, 4 (Jubel God ter eer)
Openingsgebed
Ontsteken van licht
Bemoediging en groet
Stilte
(gebeds)tekst rond de nood van de wereld: Groter dan ons hart (Oosterhuis)
Opmaat naar het gloria
Lied 657: 1, 4 (Zolang wij ademhalen)

Woord
Gebed om Gods licht
Moment met de kinderen
Lezen: Genesis 8: 6-16 (Ouderling)
Instrumentaal
Lezen: Matteüs 28: 16-20 (Diaken)
Lied 981: 1, 4 (Zolang er mensen zijn op aarde)
Overweging

Waar vindt de duif rust voor zijn voet?
Een raaf redt zich wel.
Die leeft van de dood.
Maar een duif leeft van het leven, van jong groen.

Zo ook de kerk van Christus.
Die leeft niet van de dood, maar van het leven.
Leven dat zij zoekt waar de voeten van Christus gaan.

Het is stille week en Pasen geweest.
Het is de weg geweest langs verraad, kruisiging en dood.
En daardoorheen: opstanding, nieuw leven.

Pasen betekent echter niet dat daarmee de dood wég is uit ons alledaagse leven.
Sterker nog: bij menigeen dient de dood zich onverhoeds aan.
Door ziekte, ouderdom, ongeluk.
Door diepe verwonding, als de dood al tijdens je leven zich nestelt in je ziel.
Een enkele zin, een bepaald geluid, een onbestemde geur brengen je ineens weer in de greep van die dood.
Zomaar verlies je perspectief, hoop, geloof.

We zijn een paasgemeente.
En we zijn kwetsbare mensen, broos.
Vindt maar eens een rustplaats voor de holte van je voet.
Wat helpt je om op te staan als de dood zich aandient?

Bij het graf kregen de vrouwen te horen:
Vrees niet, want ik weet wie je zoekt: de gekruisigde.

De kerk heeft nu juist dát vaak vergeten.
Dat zij de gekruisigde zoekt.

Nee, dat is niet om het leed te verheerlijken, zoals soms gebeurt.
Het is om te beseffen dat God zich klein maakt en juist in het lijden er is.
Zo ook de kerk: die plek te zoeken door zich klein te maken en in het lijden er zijn.
De kerk is geroepen om, net als Jezus deed, die ander, die lijdende mens, intens nabij te zijn.
Niet allereerst om dat lijden te willen overwinnen, maar om de ander in dat lijden niet te verlaten.

Dáár vinden we een spoor voor ons, voor onze gemeente.
Een weg om te gaan.
In de lijdende medemens – dáár zullen we de gekruisigde vinden.

Niet in grote kerken, niet in goud of schittering.

De leerlingen zullen hun Heer daar niet vinden.
Nee: ze moeten hem vinden in Galilea, zegt de engel tegen de vrouwen op paasmorgen.
Ga naar Galilea – het Galilea dat berucht is.
Al vanaf het begin van Matteüs heet dat het land der heidenen, land van duisternis, land van dood.
Dáár vinden we de gekruisigde, in de mens die lijdt, niet meetelt, wordt afgesnauwd.

Matteüs zegt het in hoofdstuk 25 zó: voor zover je voedsel deelt met een hongerige, water schenkt aan een dorstige, naakten kleedt, omziet naar zieken, gevangen bezoekt – doe je dat aan de gekruisigde.

Dáár hebben we de gekruisigde te zoeken: middenin het leven.
Dáár vindt de paaskerk rust voor haar voet.
Dáár kan zij leven, ademen, leven uit opstanding.
Niet zozeer rústig, maar wel: daar rust haar voet.

En ik denk dat ik het op scherp mag, misschien wel móet zetten: daar alléén vindt de paaskerk rust voor haar voet.
In een onrustige situatie.
Daar: waar honger is naar wat Jezus ons heeft geleerd.
Zijn levensverhaal móet klinken, dáár waar we de dood ontmoeten.
Daar is de gekruisigde – en zo, alleen zó, gelooft de kerk, is er voor haar toekomst.

We worden na Pasen op weg gestuurd.
Juist nu.
Onze samenleving verandert, en zal niet meer worden zoals we die voorheen kenden.
We verlangen ernaar: dat de kerk “weer” open kan gaan.
En dat we “weer” met zijn allen hier kunnen samen komen.

Maar ook als dat op afzienbare termijn gebeurt, zal het niet “weer” zijn.
Het zal een andere gemeente zijn, in een andere samenleving.
De kerk zal open zijn – maar anders.

We koesterden de gedachte dat economische voorspoed, welvaart en medische techniek die alles leek te kunnen oplossen ons veiligheid konden bieden.
Die samenleving is er niet meer.
Daar verlangen we wel naar terug, en we zullen ongetwijfeld proberen om er naar terug te vluchten.

Maar de kerk weet als geen ander van kwetsbaarheid en broosheid – want haar Heer is die weg gegaan.
En als de kerk iets heeft te leren in deze tijd is het: weer in die broosheid gaan staan.
Lofzingend en gelovend, ook al is het met vallen en opstaan.
Maar met een alert oog.
Trouw zijn, juist in het kleine.
Niet meteen mee willen doen met de grote acties, de publieksgevoelige thema’s, maar stil rondkijken.
Waar valt de enkeling tussen wal en schip?

Want eens te meer raken nu en de komende tijd de meest kwetsbaren tussen de wielen.
Wie het economisch al zwaar had zal economisch een schop na krijgen.
Wie voorheen al bijna geen perspectief had, zal met een nog grotere afstand op weg moeten gaan.

We hebben als werk te doen, heilig werk: ons eigen oog voor hen scherpen.
Water brengen, brood delen, kleding schenken, gevangenen bezoeken, omzien naar zieken.
Niet zozeer om ons eigen goede gevoel, om te scoren in menslievendheid.
Nee: omdat de Heer het ons zegt.
Om ons te laten grijpen door heilige onrust.
Omwille van die éne.
Alleen dáár vindt kerk rust voor haar voet.
Omdat de gekruisigde zich alleen daar en zo laat vinden.

In de ontmoeting met die ander zal het waar zijn:

zie ik ben met u,
al de dagen,
tot aan de voleinding van de wereldtijd!

Amen.

Muziek

Antwoord
Gebeden, stil gebed, Onze Vader

Gaan
Lied 645: 1, 2, 6 (Zing ten hemel toe)
Zegen en gezongen amen: lied 431c

(interim)predikant