2020-04-26 vreemdeling

Liturgie in tijden van digitale viering voor 26 april 2020 – 2e zondag na Pasen

Onderstaande teksten had ik voor mij liggen (PDF)

Welkom (ouderling)
Komen
Lied 33: 1 (solist), 8 allen (Komt nu met zang en roer de snaren)
Openingsgebed
Ontsteken van licht (kaarsenboom)
Bemoediging en groet
Stilte
Ter overweging / (gebeds)tekst rond de nood van de wereld
Lied nr. 16 uit ‘Tussentijds’: ‘Laat ons bidden uit gemis’.
Lied 305: 1, 2, 3 (Alle eer en alle glorie)

Woord
Gebed om Gods licht
Met de kinderen

We kennen het woord ‘messias’ vooral met het oog op Jezus Christus.
Maar ‘messias’ is een gebruikelijk woord in het Oude Testament.
Met name in de boeken Samuël en Koningen heten de koningen ‘messias’, dat wil zeggen: ze zijn gezalfd voor hun koningschap.
En daarmee zijn ze geroepen tot een koningschap dat is gewijd aan de dienst aan God.
Deze en de komende 3 weken lezen we dus verhalen over Messias David.
Vandaag over zijn zalving door Samuël.
Het verhaal sluit direct aan op het verwerpen van de vorige gezalfde koning, de eerste in de Israëlverhalen: messias Saul.
Maar deze gezalfde koning diende met zijn koningschap niet de Heer.
Zo is het beschreven – maar je proeft tussen de regels door ook dat het een strijd is geweest over de vraag wie het voor het zeggen had: de profeet Samuël of de nieuwe koning Saul.

We lezen I samuël 16: 1-13. Na een instrumentaal intermezzo lezen we over de ontmoeting tussen de Opgestane Messias en zijn leerlingen in Johannes 21: 1-14.
Omdat daar vis en brood wordt gedeeld zingen we aansluitend lied 385: 4 “Wij vieren de maaltijd”

Bijbellezing: 1 Samuel 16: 1-13 (ouderling)
Instrumentaal intermezzo
Bijbellezing: Johannes 21: 1-14 (diaken)
Lied 385: 4 (Wij vieren de maaltijd)
Verkondiging/overweging

Het verhaal over de gezalfde, over messias David, is op het eerste oog bijna als een oase van rust tussen andere verhalen.
Hiervoor en hierna gaat het over stammenstrijd, over oude rekeningen die vereffend worden.
Over wraak, jaloezie en geweld.

Dat kleurt ook dit verhaal.
Het zit er ook in: als Samuël zijn angst uitspreekt dat Saul hem zal doden.
En ook als de oudsten naar Samuël toekomen om huiverig te vragen of hij in vrede komt.

Er is strijd, oorlog, een gevecht wie het voor het zeggen heeft.
Die strijd trekt veel aandacht in de boeken Samuël – er worden veel woorden aan gewijd.

We moeten ervoor waken om tussen dat geweld dit verhaal over herdersjongen niet al te romantisch te kleuren.
Er leven beelden over een knappe jongeman die onschuldig zit te zijn in het veld terwijl hij wat tokkelt op een harp.
Maar de verhalen vertellen iets anders: David groeit op in een wereld vol geweld en oorlogsvoering.

Het moet er ook in het gezin van Isaï, nogal heftig aan toe zijn gegaan.
Samuël passeert in Gods opdracht zeven zonen van Isaï die zijn verschenen.

Maar tussen de spanningen door volgt Samuel een stem die hem stuurt.
Al hoofdstukken lang wacht je als lezer op die stem.
Wie spreekt in de hoofdstukken hiervoor?
Is het God zelf of Saul en Samuël die zich beide op God beroepen in hun strijd om wat er moet gebeuren?

Nu is het echter net of een vreemde stem Samuël stilzet.
Hoe lang blijf je rouwen om Saul?
Zalf een nieuwe koning!
Zo gaat Samuël naar Jesse toe met zijn vele zonen.

Zeven zonen lang denkt Samuël wel de koning te hebben gevonden: de grootste, de stevigste, de zevende…
Maar nee, hij moet naar de uitzondering, de vreemdeling – daar brengt die stem hem.

Niet de zevende zoon – dat zou te volmaakt zijn geweest.
Niet de oudste – dat zou te logisch zijn geweest.
Niet de grootste – dat zou te vanzelfsprekend zijn geweest.
Nee het is de achtste, de jongste, de meest rossige – de vreemdeling.

God zegt tegen Samuël dat hij niet naar de buitenkant moet kijken.
Maar hoe zit het dan met de zin “Het was een knappe jongen”, en rossig bovendien?
Maar hier schieten onze vertalingen te kort.

Van David wordt geschreven dat hij tov was – goed.
Het woord kennen we uit Genesis, waar in het eerste verhaal wordt geschreven over het licht dat er kwam, en dat God zag dat het goed was.

Maar heeft het hier al vanzelfsprekend die betekenis?
Nee, het is pas gaandeweg de verhalen in Samuël dat de schrijvers het woord munten, ijken.
De verhalen van Samuël zijn ouder dan het verhaal uit Genesis 1.
In Samuël merk je dat het woord nog ontwikkelt.
Goed en goed kunnen heel verschillende dingen oproepen.

Maar wel merk je al dat het te maken heeft met recht en gerechtigheid.
Hoe ga je om met de andere mens?
Hoe handel je, ook als je niets van God merkt?
Hoe kan iets goed zijn, terwijl God zwijgt, en afwezig lijkt?

Recht en gerechtigheid.
Dat zit ook in het verhaal als God tegen Samuël zegt dat hij naar het hart kijkt.
Hart is in de bijbel niet een gevoelsplek, maar de plek waarin je beslist hoe je omgaat met de ander en met levenskeuzes.
Hart – maar ook dat woord groeit nog in de boeken Samuël.

En als je met dat besef gaat lezen dan zoek je ademloos: wat is dat messiaanse nu eigenlijk?
Is David werkelijk die messias?
En waarom hij wel, en Saul dan niet meer?
Van David staat het er maar één keer dat hij tov was, van Saul 2 keer.
Houden ook de schrijvers hun adem in?
Zeggen ze hier eigenlijk: we moeten het eerst nog maar eens gaan zien…?

[…]
Het is goed om dit allemaal in het achterhoofd te houden als wij als christelijke kerk spreken over Messias Jezus, bij ons meestal Christus Jezus.
Dat woord ‘messias’, Christus, kwam er niet zomaar.
‘De gezalfde’ is niet zomaar een kant en klaar idee geweest.

Het messiaans denken is als het ware losgepeld uit de stammenverhalen.
Het is langzaam boven komen drijven in de oorlogsverhalen van dit stammenvolk.
Door alle woestheid heen hebben de rabbijnen er sporen van gevonden.

Soms lijken die sporen direct met God verbonden.
Vaker zijn het kleine spoortjes waarvan je denkt: wat blijft er nog van over?

De theoloog Berkhof heeft het over het experiment van God.
Ikzelf denk steeds meer vanaf de andere kant: het is het zoeken van een volk naar sporen van zijn God.
Hier is dit volk aan het leren dat je God niet kunt ophangen aan grote dingen.
Je kunt God niet verbinden met overwinning of verlies, met voorspoed of tegenslag.
Nee, wat je over God zegt móet samenhangen met de manier waarop je omgaat met je medemensen.
Hoe je omgaat met je medemens toetst je woorden over God

[…]
Daar leren we van – met vallen en opstaan.
Wat kunnen we hier en nu over God zeggen?
Al wat we zeggen over God móet zichtbaar worden in hoe we met onze medemens, met de ander omgaan.
En dan niet alleen je mede-kerkganger die je nu mist – dat is al te veilig en te voorspelbaar, net als de oudste, de grootste en de sterkste…

Nee, het gaat erom hoe we omgaan met onze medemens die in de schaduw leeft van onze wereldwijde economie.
Zij die met hun armoede betalen voor ongekende voorspoed en welvaart die zo nodig ten koste van levens gaat.
Zij die niet mee kunnen of willen komen met de onzinnige overdaad aan keuzemogelijkheden en prikkels, maar die we niet meer vinden passen in onze moderne samenleving.

Zou je voorzichtig moeten zeggen dat we als kerk onze kritische blik op de economische wildgroei van de afgelopen 20, 30 jaar vaak verloren?
Dat we ons als kerk door welvaart in slaap lieten sussen?

Ja, nou, we hadden last van kerk leegloop.
Ja dat is toch wel heel wat.
Maar ondertussen hadden – en hebben we het nog steeds – ook bijzonder goed.
En we hadden en hebben ook onze diaconale en missionaire projecten – maar lag en ligt onze prioriteit ook werkelijk daar of bij onze eigen geloofsbehoeften?

Waar zit nu het messiaanse in ons geloof, dat zichzelf toetst door te kijken naar de vraag hoe je met de vreemdeling omgaat?
We zijn immers gezalfd zijn – niet door olie, maar door de Geest van de gekruisigde.
Wat is leven en geloven met de opgestane gekruisigde messias?

Het is tenminste oefenen, en hard werken om de blik van onze kerk niet te laten leiden door wat groot en indrukwekkend is.
Ook in het evangelie gaat het om die kleine dingen.
Een visje op een vuurtje: spoor van God – die tegelijk zichzelf klein maakt en zegt:
En, wat heb je zelf gevangen?
Wat beteken je zelf voor de ander, en wat betekent de ander voor jou?

Meer nog zit het voor mij in dat kleine getal 3 waarmee het vandaag eindigt.
Niet de 153 vissen zijn belangrijk, dat is aandachttrekkerij.
Nee, dit is de derde keer dat de Heer aan hen verscheen.
En ze herkenden hem aanvankelijk niet eens.
Dit is de derde keer dan een vreemdeling zich aandient – en die stelt een vraag:
Het je mij lief, meer dan de anderen hier?
Heb je de opgestane gekruisigde lief, ook als je hem niet meteen herkent?

En dit zal drie keer worden gevraagd aan Simon.
En voor de derde maal vroeg hij hem: … houd je van me?

Elke vreemdeling kan een spoor van God zijn.
Elke uitzondering kan een spoort zijn van de Ene.
Of het nu de 8e is op een rij, waarbij je er 7 voorbij moet lopen.
Of dat het de derde keer gebeurt bij het fornuis: iemand die steeds weer terugkomt en trouw is, het eten klaar heeft, maar dan de gekke vraag stelt: wat heb je bij je?

Houden we rekening met God, met een spoor van God in de uitzondering?
Houden we rekening met de vraag: Heb je mij lief? – gesteld door een onbekende?

Zou dat niet messiaans geloven zijn, dat we nu ons ineens gaan realiseren dat die onverwachte ander ons iets laat zien van God?
God die zich niet laat vangen in welvaart of getallen of heftige gebeurtenissen?
De Ene die fluistert in de uitzondering, de vreemdeling?

Amen.

Antwoord
Muziek
Voorbeden met gezongen acclamatie
Gezamenlijk gesproken Onze Vader
Mededelingen (ouderling)

Gaan
Zegen en gezongen ‘amen’
Lied 806: 1, 3 (Zomaar te gaan met je stok in je hand)

(interim)predikant