2020-07-19 tegenspraak

Liturgie in tijden van digitale viering voor 19 juli 2020 – 5e zondag van de zomer
De teksten zijn ook beschikbaar als PDF.
Welkom (ouderling)

Komen
Lied 650: 1 solist, 2 samenzang neuriën, vrg spreekt tekst (De aarde is vervuld)
Openingsgebed
Ontsteken van licht (bovenste lichtje van de kaarsenboom)
Bemoediging en groet
Stilte
Ter overweging
Lied 650: 6 solist, 7 samenzang (Het zaad der goedheid Gods)

Woord
Gebed om Gods licht
Met de kinderen
Lied 224 – partij a allen , partijen b en c solisten

INTRODUCTIE
We lezen Prediker.
Dat bijbelboek is een steentje in de schoen van onze kerk.
Ook ik loop eromheen.
Soms boos en narrig over deze schrijfster – waar ben je mee bezig, vraag ik dan.
Dan weer denk ik: maar je schrijft wel ‘voor Gods aangezicht’.
Maar ik ervaar haar niet zomaar als reisgenoot, vaker als iemand die irritante dingen zegt onderweg.

Ik heb het over ‘haar’ omdat de oorspronkelijke titel Qohelet een vrouwelijk woord is.
En de deskundigen sluiten niet uit dat hier vrouwen aan het schrijven zijn.
Soms lijkt dat onwaarschijnlijk, want Prediker is op een paar plekken onuitstaanbaar vrouwonvriendelijk.
Of… hebben vrouwen hier stem gegeven aan wat zij tegenkwamen in de samenleving, en houden ze ons zo een spiegel voor?

Hoet het ook is, zij durft door het boek heen vooral te zeggen: maak het leven niet mooier door er een soort gelovige saus overheen te gooien.
Daar leren we van: we praten nogal eens om de moeite van het leven heen.
En dan is het wel weer eerlijk wat Prediker zegt aan het begin: ijdelheid der ijdelheden, alles is ijdelheid.
Lucht en leegte, alles is leegte.

Laten we daarbij niet vergeten dat Prediker daar, aan het begin, de naam van Abel gebruikt.
Zoon van Adam en Eva die vroom leefde, maar werd vermoord door zijn broer Kaïn.
Het leven is Abels-leven, zegt Prediker.
Dát klinkt dan ineens als protest, dat God vraagt: hé, is dit het nu?

Het boek irriteert omdat het soms neerbuigend klinkt, en weinig plezier biedt.
Tegelijk moedigt Prediker ons aan om van het leven te genieten.
Prediker staat, kortom, in ieder geval bol van de tegenstellingen.
En vooral: zij probeert die tegenstellingen niet glad te trekken.

Voor vandaag lees ik Prediker in die lijn van tegenstellingen.
En: ik lees het bekende hoofdstuk 3 nadrukkelijk in het licht van het evangelie.
De gelijkenis over de landheer die het uithoudt met de tegenstelling tussen graan en onkruid.
En ineens bedacht ik mij: misschien is Prediker daarin Jezus wel voorgegaan.
Prediker was een tegenstem, Jezus was een tegenstem.

Daarom lezen we Prediker nu ook net een stukje verder dan bijna altijd wordt gedaan.
De laatste woorden van de lezing werden eens in een kerkenraad aangehaald door een kerkrentmeester.
Hij wilde geen ouderling worden, want, zei hij, ik wil wat voor de kerk doen, maar ben te ongelovig voor het ambt.
Maar déze woorden legt hij dan wel weer voor aan zijn klanten die een nieuwe auto komen ophalen.
Wanneer de mens zich aan eten en drinken te goed doet
en geniet van al het goede dat hij moeizaam heeft verworven,
is dat een geschenk van God. (vers 13)
En de klanten vragen dan vaak verrast waar die wijsheid staat – en dan kan hij glimlachend zeggen: dat staat nou ook in de Bijbel.

Bijbellezing: Prediker 3: 1-13 (ouderling)
Instrumentaal intermezzo

Ook het evangelie lezen we iets verder dan normaal.
Normaal zou je lezen tot het eind van de gelijkenis over het zaad en het onkruid.
Hooguit zou je dan een stukje overslaan en de uitleg die verderop staat lezen.
Maar daartussenin liggen nog 2 gelijkenissen.
Dat zegt iets.
Daarom leest Joost één vers van die volgende gelijkenis.
Een soort cliff-hanger.
Hoe gaat het dan verder?

Bijbellezing: Matteüs 13: 24 tot en met 31 (diaken)
Lied 765: 1 samenzang , 2 solist (Gij hebt met uw brede gebaren)

Verkondiging/overweging

Tegenstellingen.
Leven en dood.
En natuurlijk dan ook wat Abel deed: planten en rooien.
En wat Kaïn deed: moorden én verplegen, want hij had een rijk nageslacht.

Tegenstellingen die bij de mensheid horen:
Afbraak en opbouw, huilen en lachen, jammeren en dansen.
Dan gaat het over stenen, die volgens sommigen een seksuele betekenis hebben.
In ieder geval omhelzen en afstand houden.
Die kennen we.

Het gaat over zoeken en verliezen, bewaren en wegwerpen.
Het gaat over ambacht: afscheuren en aannaaien.
Het gaat over relaties: zwijgen en spreken, liefhebben en haten.
Het gaat over het oudste thema van de mensheid: oorlog en vrede.

[…]
Tegenstellingen.
Prediker benoemt ze.
Draait er niet omheen.
Zij benoemt ze nadrukkelijk, en brengt je daardoor soms ook in de war.

En daarmee maakt zij in ieder geval mij onrustig.
Moet het zo open en bloot allemaal worden genoemd?

Ja, vindt Prediker.
We weten niet eens of zij schreef voor de eeuwigheid.
Maar dat vermoedden de meeste bijbelschrijvers denk ik niet.
Ze schreven voor hun tijd, in hun situatie, en konden niet vermoeden dat wij ruim 2000 jaar later hun tekst nog zouden lezen.

Wat in ieder geval niet is gebeurd, door de rabbijnen, is dat dit boekje vroegtijdig is uitgerukt en weggeworpen of verbrand.
Ze hebben misschien wel lopen discussiëren: het schuurt met de andere verhalen.
Het botst met onze ideeën over God.
Wat moet je met dit boek, is het geen onkruid?

Maar gelukkig hebben ze niet gezegd: weg ermee.
Ze hebben niet uitgerukt.
Want ze konden misschien ook niet goed onderscheiden of dit boek van Prediker onkruid vormde of graan dat tot brood zou leiden.
En dus hebben ze het gelaten.

[…]
Prediker zegt eerlijk wat zij op het hart heeft.
Vergaarder, vertaalt de Naardense vertaling.
Het is maar de vraag of er slechts één schrijfster is geweest.
Het zou ook een groep vrouwen kunnen zijn geweest.

Bij ons komt door de titel die sinds Luther in zwang is, Prediker, en zeker door de koppeling die is gelegd met Salomo, al gauw een man op het netvlies.

En ja, het gaat over zoon van David, koning in Jeruzalem – zo begint het boek.
Het boek is koninklijk.
Maar je zou ook kunnen zeggen: deze vergadering van schrijfsters aart naar David.
En als je de liederen van David erop naslaat, dan kom je ook daar de vele, vele tegenstellingen tegen.
Geloof en twijfel, hoop en wanhoop, overgave aan God en verzet tegen God.
Ze komen allemaal langs in de psalmen.
En in die zin hoort Qohelet, vergaarder, bij David.

Ze noemen allebei tegenstellingen scherp, ongenuanceerd.
En ze proberen staande te blijven in die tegenstellingen.
Maar ze rukken ze niet uit.

Van David weten we uit zijn levensverhalen dat hij soms die spanning niet aankon.
Dan rukte hij de één uit, hief de tegenstelling op.
Maar wat pakte dat vaak verwoestend uit…

Leg Prediker naast de psalmen en je ziet dat ze beide ernaar zoeken om het uit te houden.
In de tegenstellingen.
En ze rukken ze niet uit.

Want ze spreken de tegenstellingen uit voor Gods aangezicht.
En als God het uithoudt met die tegenstellingen, dan ook wij…

[…]
Prediker irriteert.
Ze vermoeit, je wordt soms somber van haar kijk op het leven.
Maar hebben we daar allemaal niet op zijn tijd last van?
Van de gedachte dat het leven ijdel is, ijl, lucht en leegte?
Als je alles langs hebt zien komen, en je weet: hoe hard je ook werkt, de eindigheid van het leven ontloop je niet.
Of: je hebt elkaar intens lief, maar vroeg of laat gaat één van de twee alleen verder.
Of: alles herhaalt zich, juist ook de negatieve kanten van al die tegenstellingen: sterven, rooien, vermoorden, afbraak, huilen, jammeren, oorlog…

Juist dan is Prediker ook weer nuchter als zij zegt:
Wanneer de mens zich aan eten en drinken te goed doet
en geniet van al het goede dat hij moeizaam heeft verworven,
is dat een geschenk van God. (vers 13)

Prediker komt ons tegemoet in onze vermoeidheid, vertwijfeling en uitzichtloosheid.
En daarom zullen we dat, als het ons overvalt, niet uitrukken.

Want we weten niet of het onkruid oplevert of graan.
Er zijn er die aan vertwijfeling ten onder gaan.
Maar er zijn er ook die vertellen dat zo’n diep dal, tegen de verwachtingen in, voor hen uiteindelijk kostbaar graan opleverde.

Er is overal een tijd voor zegt Prediker – maar ik denk dan bij mezelf: in ieder geval niet voor te vroeg uitrukken.
Want je loopt de kans dat je dan kleine kiemen van geloof al uitrukt voor ze kunnen uitlopen.

En ineens zie ik de rabbijnen voor mij, die de hebreeuwse bijbel samenstelden.
Zij hebben, ook op veel andere plekken, niet geprobeerd om de bijbel glad te strijken.
Ze laten hier en op andere plekken tegenstemmen staan.
Ze hebben ons een bijbel overgeleverd die zichzelf tegenspreekt.

Lang konden we ons dat niet indenken – maar het is juist een belangrijk deel van het evangelie.
De bijbel spreekt zichzelf tegen, en laat dus ruimte voor gesprek en discussie.
Ruimte voor zoeken en dwalen.

Kom maar op, hoor ik de rabbijnen daarmee zeggen.
Kom maar op met je kritiek, met je tegenspraak.
De bijbel kan het hebben.
God kan het hebben.
Dus kunnen wij het ook hebben.

Prediker geeft een tegenstem.
Dan komt er daarmee ook ruimte voor mijn tegenstem.

Wij denken soms wél te weten wat graan is en wat onkruid is.
We hebben al snel een mening over wat bij de ander aan het ontkiemen is.
Maar wees terughoudend.
Dat leer ik van die rabbijnen die dat boek Prediker, dat mij irriteert, dat mij soms tegen de borst stuit, toch hebben opgenomen in de canon.
Dat leer ik van die gelijkenis van Jezus.
Waarin de boer zijn verantwoordelijkheid neemt, en ook nuchter is: nu kun je nog niet zien wat er uit voortkomt.

Zo biedt de bijbel met deze twee lezingen samen ons iets anders, iets dat tegen de stroom van vandaag ingaat.
Het is een oud woord, maar ik heb het de laatste maanden door studie weer leren waarderen: schroom.
Niet angstvallig.
Maar schroom om meteen een oordeel, een mening te hebben over wat de ander naar voren brengt.
Schroom omdat we zoveel nog niet weten.
Schroom omdat mensen mensen zijn.
Mensen zijn uniek, anders – én ze kunnen veranderen.

Van de gelijkenis van Jezus leren we dat het erbij hoort in dit leven: dat goed en kwaad samen opgroeien.
Dat wij niet zoveel kunnen zeggen over wat er nu werkelijk uit zal komen.
En wat meer is: we weten uit de bijbel dat kwaad ook ten goede kan keren.

Ik vind het veelzeggend dat Matteüs eerst nog twee andere gelijkenissen vertelt voor hij de uitleg geeft van deze gelijkenis.
Hij vertelt eerst nog ee gelijkenis over het mosterdzaad.
Eén van de kleinste zaden, waaruit één van de grootste bomen opgroeit.
Ook dat beeld zet ons op een ander been.
En hij vertelt de gelijkenis van het zuurdesem: een heel klein stukje doortrekt een heel brood en laat het rijzen.

Die twee gelijkenissen zetten ons op het spoor van het kleine.
Maar wieden – dat is iets groots.
Iets van controle hebben, macht hebben over de situatie.
En het heeft ook iets onherroepelijks.
Als wij dingen, gedachten, zoekwoorden bij elkaar uitrukken, wat dóen we dan eigenlijk?

Wachten is daarentegen iets heel anders, kleiner, brozer.
Net zoals een heel klein zaadje zaaien dat wel eens een grote boom kan worden.
Of een heel klein beetje zuurdesem in deeg mengen.

Het evangelie gaat over het kleine.
En het gaat over tegendraads mogen, misschien wel móeten zijn.

Als de rabbijnen een tegenstem in hun canon opnemen, dan geeft dat ruimte voor onze tegenstem.
Als er onrecht geschiedt, en je staat er tegen op, dan is dat in de ruimte van het evangelie.

Als er een hoofdgedachte leeft in een kerkelijke gemeente als de onze, die jou aan de kant zet, kleineert of buitensluit – dan is verzet niet iets dat tegen de bijbel in gaat.
Als de meerderheid denkt dat iets goed is – is het dat dan ook?
Als die meerderheid een tegenstem niet uit laat spreken, maar meteen het zwijgen oplegt, uitrukt omdat ze het ziet als onkruid – zou dát dan goed kunnen zijn?

Amen.

Antwoord
Muziek
Voorbeden met gezongen acclamatie
Stil gebed, met gelegenheid om lichtjes te ontsteken
Gezamenlijk gesproken Onze Vader
Mededelingen (ouderling)

Gaan
Zegen en gezongen ‘amen’ (Lied 431c)
Lied 841: 1 solist, 2 samenzang (Wat zijn de goede vruchten)

(interim)predikant