2020-08-09 oordeel

Liturgie in tijden van digitale viering voor 9 augustus 2020 – 8e zondag van de zomer, PWZN.
De teksten zijn ook beschikbaar als PDF.

Welkom (ouderling)

Komen
Lied 734 (Beati voi poveri), 2x solist, 1x allen, 2x solist&gesproken 3+4, 1x allen, 2x solist&gesproken 5+6, 1x allen, 2x solist&gesproken 7+8, 1x allen, 2x solist&gesproken 9+10, 1x allen.
Openingsgebed
Ontsteken van licht (bovenste lichtje van de kaarsenboom)
Bemoediging en groet
Stilte
Ter overweging
Lied 992: 1 solist, 2 en 3 allen, 4 solist (Wat vraagt de Heer nog meer van ons)

Woord
Gebed om Gods licht
Met de kinderen
Lied met de kinderen: lied 288 allen (Goedemorgen, welkom allemaal)
Bijbellezing: Jona 2
Instrumentaal intermezzo
Bijbellezing: Matteüs 7: 1-5
Lied 995: 1 solist, 2 allen (O Vader trek het lot u aan)
Verkondiging/overweging

Op 1 augustus zou de Canal Parade in Amsterdam plaatsvinden.
Door omstandigheden is dat niet doorgegaan.
Trouw publiceerde die dag een paar portretten van enkele 70+ers, als een kleine parade.
Zij zijn allemaal vroeg of laat uit de kast gekomen.
Als homoseksueel, lesbienne of transgender.
Ze vertellen hoe belangrijk het voor hen was om die stap te zetten.
Ze beschrijven mensen die hen daarin hebben gesteund.
En ze vertellen over drempels, oordelen die hen hebben getroffen.

Enkele weken geleden schreef een profvoetballer een anonieme brief.
Hij beschrijft daarin dat hij homoseksueel is, maar er niet voor uit durft te komen.
In die brief doet hij een beroep op alle lezers om daar wél ruimte voor te maken.
Om de oordelen die hem zullen kapot maken los te laten en hem werkelijk te willen leren kennen.

[…]
De mensheid is onverbeterlijk in haar oordelen.
Ik doe oordeel, u en jij ook.
En dan heb ik het over het oordeel waarmee we de ander als het ware in een doosje stoppen.
Een doosje dat we zelf hebben gemaakt en dat we zelf goed begrijpen.
Door te oordelen maken we voor onszelf de wereld overzichtelijk.
Het risico is echter dat we dan doen alsof we ook de ander dan begrijpen, terwijl we die ander juist onrecht doen.

Oordeel niet – sta er bij stil wat dergelijk oordelen met een ander doet.
Wat doet het met een ander als die niet durft uit te komen voor oprechte verlangens?
Wat gebeurt er als een mens wordt geoordeeld zonder eerst gehóórd te zijn?

Mensen zijn bijzonder.
Wanneer kun je zeggen dat je de ander werkelijk helemaal begrijpt?
De ander blijft voor een deel altijd onbekend, ongrijpbaar, ontroerend.
Zelfs als je al jaren met elkaar optrekt.
Die ander blijft verrassen – tenzij we oordelen.
Dan zetten we die ander vast in ons beeld wat we van haar of hem hebben.
En als we iemand vastzetten in ons beeld, dan kan die ander niet meer ontroeren, niet langer verrassen, niet meer vreemd en anders zijn.

Dan kan die ander ons ook niet meer verrassen met een andere kijk op God.
Dat is wat er bij Jezus bij komt kijken.
Deze woorden maken deel uit van de bergrede.
Die bergrede zegt de leerlingen van Jezus: kijk door de ogen van Jezus.

Daarom begonnen we deze viering ook met de zaligsprekingen.
Zo kijkt Jezus.
Die ander, die meestal niet meetelt is Jezus dierbaar en kostbaar, een zegen.

En Jezus neemt zijn leerlingen mee op een weg waar je je leven lang mee bezig bent.
Een weg waarin je geroepen wordt tot een hoge gerechtigheid: leren kijken door de ogen van Jezus.
Een weg waarop je wordt geroepen tot een kwetsbare vorm van vroom leven.
Niet pontificaal, niet voor het oog van de wereld en de machtigen.
Nee, God ziet in het verborgene – dat is genoeg.
Zo leer je bidden, dienen en stil zijn voor Gods aangezicht, en dat verdraagt zich niet met oordelen over de ander.

Als je oordeelt dan neem je afstand van de ander.
Dan meen je dat je kunt toekijken.
Maar de leerling van Jezus kán niet toekijken als het gaat om
de nederige van hart en de treurenden,
de zachtmoedigen en wie verlangt naar gerechtigheid.
de barmhartigen en degenen die zuiver van hart zijn.
de vredestichters en degenen die worden vervolgd om gerechtigheid.

God kijkt immers niet toe.
Ze roepen – hoor je hun andere, onverwachte verhaal?
Ze zijn anders, vreemd, ontroerend – oordeel niet over ze.
Ook niet door ze met medelijden of heldenverering tegemoet te treden
Dan stop je ze in een doosje van eigen hand, en dan kun je ze naast je neerleggen.

Dus: nee, zegt Jezus, zo mag het bij jullie niet zijn.
Oordeel niet – want dan verhinder je jezelf om de ander te zien als mens naar wie de liefde van Jezus uitgaat.
Oordeel niet – want dan zie je het niet meer, als Jezus zelf jou door die ander roept.

[…]
Jezus navolgen vergt veel.
Het betekent dat je je schaart aan de zijde van Jezus.
Jezus weet dat zijn woord kwetsbaar is.
Hij heeft nooit iemand zijn evangelie opgedrongen.
God dwingt geen mens om in hem te geloven, zo ook de leerling.

Toch volgt er nog een scherp woord.
Maak het evangelie ook niet goedkoop, zegt Jezus.
Dring het niet op aan iemand die het niet wíl.
Gooi het niet voor de varkens, zegt Jezus direct na wat we hebben gelezen.
Geef het niet aan de straathonden.

Ik mag niet oordelen over de ander.
Niet over diens geloof, waarachtigheid of wijze van in het leven staan.
Dat moet ik aan God overlaten.
Ik: ik heb te kijken naar de vraag of ik de ander recht doe als ander.

Maar dan heb ik die ander ook recht te doen als die Gods liefde weigert.
Dan doe ik de ander recht en schud het stof van mijn voeten.
Zo – opnieuw – láát ik het oordeel … want ik laat het aan God.

Oordeel niet – want dan neem ik afstand van de ander.
Oordeelt niet – opdat er niet over jullie geoordeeld wordt, voegt Jezus eraan toe.
Het oordeel over een ander dat ik mijzelf toesta keert zich eenvoudig tegen mij.
Als ik oordeel over een ander, komt diens oordeel ook mijn kant uit.

Oordeel echter wél – om te onderscheiden wat ik moet doen als die ander de liefde van God weigert.
Ook, juist dán oordeel ik niet en laat het aan God, draag ik haar of hem op in Gods handen.
Zodat ook dan geldt: alleen zo kan ik blijven leren van de ander, zelfs als die de liefde weigert.

Het is ontroerend dat Jezus zelf later zich in het licht van zijn eigen woorden laat verrassen door een heidense vrouw.
Zij doet een dringend beroep op de genade van Jezus.
Hij weigert aanvankelijk en zegt scherp: het is niet goed het brood van de kinderen te nemen en het aan de honden te geven.
Waarop zij antwoordt: U hebt gelijk, maar de honden éten al van de restjes die van de tafel vallen…
En Jezus laat zich door deze mens ontroeren…

[…]
Oordeel wél – over jezelf, in het licht van Gods genade, niet genadeloos.
Oordeel wél: als ik de neiging heb om de ander in het doosje van mijn oordeel te stoppen, moet ik mezelf tot de orde roepen.

Oordeel niet – want de mens tegenover mij is méns, ánders, verrassend.
Hartstochtelijk mens, die roept om een liefdevol antwoord.
En mensen liefhebben is nu eenmaal het vak van God.
Jezus heeft het ons voorgedaan – en wij als zijn leerlingen zullen hem daarin volgen.

Oordeel niet, maar luister…
Juist als die ander mij vreemd is, mij verrast, mij op een ander been zet.
Vraag die ander, die ik zou willen oordelen, om me beter te helpen kijken.
Want… ik heb een balk vol oordelen in mijn oog, en ik ga ze pas zien door jou, de ander.
Amen.

Antwoord
Muziek
Voorbeden in drie intenties met gezongen acclamatie
Stil gebed, met gelegenheid om lichtjes te ontsteken
Gezamenlijk gesproken Onze Vader
Mededelingen (ouderling)

Gaan
Zegen en gezongen ‘amen’
Lied 419: 1 allen, 2 solist, 3 allen (Wonen overal nergens thuis)

(interim)predikant