2020-10-18 doen

Door Matteüs 25: 31-46 kolommetrisch te lezen komt deze bekende gelijkenis anders tot leven, zeker als je daarmee verhalen verbindt. Onderstaande teksten had ik voor mij liggen (PDF).

Welkom (ouderling)

Komen
Lied Lied 130a: 1 solist, 2 lezen vg, 3 solist (Uit angst en nood)
Openingsgebed
Ontsteken van licht
Bemoediging en groet
Stilte
Ter overweging / (gebeds)tekst rond de nood van de wereld
Lied: Zijsporen 6: 1 lezen vg; 2 solist (Niet om dienst en wederdienst)

Woord
Gebed om Gods licht
Met de kinderen – Sleutelring 35
Lied: Zijsporen 6: 3 solist (Niet om dienst en wederdienst)
Bijbellezing: Deuteronomium 30: 11-14 (lector)
Instrumentaal intermezzo
Bijbellezing: Matteüs 25: 31-46, beurtspraak lector en voorganger
Lied 992: 1 solist, 2 declameren door allen, 3 solist, 4 lezen vg (Wat vraagt de Heer nog meer van ons)
Verkondiging/overweging

Deel 1

Zomer 1943.
Hollandse Schouwburg, Amsterdam.
Clara Asscher-Pinkhof vertelt:

Het was bij één van die uitdrijvingen in de nacht,
dat ik tussen alle zwaarbeladen gedrevenen –
met bagage, met kinderen , met rollen dekens –
één tengere, geboden oude Jood zag, die bijna brak onder zijn vracht.

Op het ogenblik, dat ik hem te hulp wou komen,
had een kolos van een groen-geüniformeerde S.S.-man hem ontdekt;
hij gaf hem een duw, zodat hij gevallen zou zijn
als de volte en het gedrang hem niet staande hadden gehouden,
en brulde in de taal die zij alleen nog maar kenden: “Opschieten!”
Op dat ogenblik, in een bewustzijns-vernauwing,
die mij het nutteloze van mijn verweer deed vergeten,
stelde ik mij rechtop tegenover de kolos en schreeuwde: “Loslaten!”
De man, ontzet dat een vrouw met een ster hém,
hém, de machthebber, durfde aanschreeuwen,
siste zonder stem, met opgeheven vuist: “Wat? Wat?”
En eer de vuist daalde brulde hij:
“Nog één woord, en je zult zien wat er gebeurt.”
Ik had alle gevoel voor veiligheid en proportie verloren […]
Ik keek hem in het verwrongen, opgelopen gezicht en zei:
“Ik dacht dat u een mens was.”

Want met die vergissing: dat hij een mens was,
kon ik alleen verklaren dat ik hem als een mens tot loslaten had willen dwingen.
De vuist ging hoger –
maar eer hij neerkwam, hadden anderen, die alles gehoord hadden,
mij beetgegrepen en me tussen het gedrang weggewerkt.

(H. Meulink-A. Van Rijn, De onbekende derde, p. 135)

Ik verzeker jullie:
alles wat jullie voor één van deze onaanzienlijken niet gedaan hebben,
hebben jullie ook voor mij niet gedaan.

→ MUZIEK

H. Oosterhuis – Ogen die mij zoeken

Ogen die mij zoeken volgen tot hoever
Ik ga een bocht om waar geen licht komt
Geen hand mij vasthoudt, geen oor mijn stem herkent
Geen stem mij groet, geen naam mij past
Tot waar geen mens is
Tot waar geen god is
Ogen die mij zien
Die mij aanzien daar

Ogen die mij zoeken volgen tot hoever
Ik ga een bocht om waar geen licht komt
Geen hand mij vastgrijpt, geen oor mijn stem herkent
Geen stem mij groet, geen naam mijn past
Tot waar geen mens is
Tot waar geen god is
Ogen die mij zien
Die mij aanzien daar
Ogen die mij zien
Die mij aanzien daar

Deel 2

Een vrouw die de vernietigingskampen van Nazi-Duitsland overleefde getuigt:
“We wilden overleven om ooit, na Hitler, te leven,
en ons verhaal te kunnen vertellen”

Maar soms is het voor haar ook bijna andersom.
Soms moet een mens vertellen om te overleven.

Zelfs als dat zó vorm krijgt dat je vereenzaamt van de anderen.
Omdat die niet kúnnen opvullen wat aan leegte is geslagen door bruut geweld.
Omdat ze wel móeten teleurstellen omdat ze niet kúnnen voldoen aan het verlangen naar al die anderen die jou zijn ontnomen, weggeroofd.

Ze zorgde grenzeloos voor terminaal zieken.
Maar telkens en telkens weer vond ze dat ze tekort schoot.

Als tiener in de oorlog verloor ze de meesten van haar familie.
Ze maakte gruwelijke moorden mee.

Tegen het eind van de oorlog was ze een partizaan, en joeg op de moordenaars.
Ze hadden met elkaar een 17 jarige Duitser gegrepen.
Zij was in de gelegenheid om wraak te nemen.
Maar ze verzorgde zijn wonden, en droeg hem over aan de overheid voor een rechtvaardige rechtszaak.
Toen mensen haar vroegen waarom ze dit had gedaan zei ze: “Hoe kon ik hem doden – hij keek mij in het gelaat en ik zag in zijn gelaat.”

(eigen samenvatting van Dori Laub, “Thruth and Testimony: the process and the struggle” in: Caruth, Cathy (red), Trauma, explorations in memory, 1995, 61-75)

Ik verzeker jullie:
alles wat jullie gedaan hebben voor één van de onaanzienlijksten van mijn broeders of zusters,
dat hebben jullie voor mij gedaan.

→ MUZIEK

H. Oosterhuis – Roep onze namen

Roep onze namen:
dat wij U horen,
dat wij weer ademen;
dat wij U leven.

Deel 3

Hij had als kind al die blik.
Of hij nu tussen de houtkrullen in de werkplaats rondscharrelde of rond de handmolen van zijn moeder.
Hij kon niet: niet-zien de misère van anderen.

Ook toen hij opgroeide ging dat zo.
Hij hoorde, ook toen hij al wist dat je beter je oren kon sluiten, de schreeuw.
Op hen van wie werd weggekeken richtte hij zijn blik.
Riep hun namen, ook al zwegen anderen hen dood.

Toen hij al lang wist dat soms de ander aanraken niet mocht, zocht hij toch de aanraking.
Ook de aanraking van de mens die beangstigend besmettelijk was.
Of bedreigend in zijn waanzin.
Zelfs de doden meed hij niet, omdat hij het niet kon: niet-zien hoe groot de nood in de rouw was.
Hij kon niet: niet-zien de nood van de ander, die verlangde mens te mogen zijn.

Zo liet hij zich roepen op de weg van de zoon des mensen.
De Adem dreef hem voort, de fluistering van de Ene.
Hij liet zich roepen, keer op keer, op de weg van de menselijkheid.
Brak met wat dagelijkse praktijk is, omdat hij besefte dat je slechts op die ándere weg mens wordt – door de ander.
Als je de ander jou in de ogen laat zien.

Zo is de weg die de eeuwige Adem fluistert en luistert.
Die luistert naar wat ongezegd blijft, onhoorbaar is, fluistert jou naam.
Die luistert naar wat onverdraaglijk is, want ze blijft, de geestesadem.

Zij hoort het sprakeloze bidden achter de woorden die wij roepen.
Zij kent de mensen zoals geen mens ze kent.

Adem voedt mensen die de weg gaan van de mensenzoon.
De mens die weet dat als zij stilstaat, luistert, aanraakt, kleedt en bezoekt, dat de hemel mét haar stilstaat, luistert, aanraakt, kleedt en bezoekt.

Geestesadem voedt de mens: de mens die weet…
Die weet dat als zij niet stilstaat, niet luistert, niet aanraakt, niet kleedt, niet bezoekt…
Die weet dat als zij zich níet in de ogen laat zien…

Mens die wéét…
Wéét dat als zij niets doet…

→ MUZIEK

H. Oosterhuis – Gij die het sprakeloze bidden hoort

Gij die het sprakeloze bidden hoort
achter de woorden die wij tot U roepen.
Gij die de mensen ziet als geen mens.

Gij die Uw woord in ons hebt neergelegd
in den beginne als een bron van weten.
Gij die ons hebt geschapen naar U toe.

Wek onze kracht, vuur onze hartstocht aan,
heradem ons dat wij in U volharden.
Doe lichten over ons Uw lieve naam.

Antwoord
Voorbeden met gesproken acclamatie
Stil gebed
Gezamenlijk gesproken Onze Vader
Mededelingen (ouderling)

Gaan
Zegen en gesproken ‘amen’
Lied 1005: 1 solist, 4 couplet lezen vg en refrein solist, 5 couplet lezen allen en refrein solist (Zoekend naar licht)

(interim)predikant